Strafzaken

Wetgever en rechter

Twee fundamentele kwesties werden beslist waarover in de publieke opinie uiteenlopende opvattingen bestaan en die het samenspel van wetgever en rechter betreffen. In de kwestie betreffende de tenuitvoerlegging van levenslange gevangenisstraf was volgens de Hoge Raad nadere regelgeving nodig; in die met betrekking tot hulp bij zelfdoding door niet-medici achtte de Hoge Raad terughoudendheid van de rechter geboden in het licht van het maatschappelijke en politieke debat dat wordt gevoerd over levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

In het eerste arrest ging het om de vraag of de oplegging van levenslange gevangenisstraf gelet op de wijze van tenuitvoerlegging van deze straf, een schending van art. 3 EVRM oplevert. Het is het vervolg op het tussenarrest van 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1325, NJ 2016/348, waarin over deze kwestie een juridisch kader is gegeven. Na het tussenarrest was onder meer het Besluit Adviescollege levenslanggestraften tot stand gekomen. In het onderhavige arrest stond ter beoordeling of er thans een reële mogelijkheid tot herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf bestaat die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen kan leiden tot verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidstelling.

De Hoge Raad is van oordeel dat het Nederlandse recht voorziet in een toereikend stelsel, gelet op de inhoud van de nieuwe regelingen en in aanmerking genomen de toetsingsmogelijkheden van de burgerlijke rechter en de penitentiaire rechter in de fase van tenuitvoerlegging. Onder meer in verband met de beslissing op een gratieverzoek kan de veroordeelde het oordeel inroepen van de burgerlijke rechter om te laten beoordelen of de negatieve beslissing over de verlening van gratie, in het licht van de eisen die art. 3 EVRM stelt, onrechtmatig is. Die beoordeling richt zich met name op de redenen die zijn opgegeven voor deze beslissing, waarbij in het bijzonder van belang is of wordt afgeweken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd.

In de zaak Heringa kwam het Openbaar Ministerie op tegen de aanvaarding van het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand van de verdachte die als niet-medicus zijn moeder behulpzaam was geweest bij zelfdoding. De Hoge Raad wijst erop dat de wetgever een bijzonder stelsel van zorgvuldigheidseisen in het leven heeft geroepen dat ertoe strekt de juiste balans te waarborgen tussen enerzijds het belang van persoonlijke autonomie van mensen die uitzichtloos en ondraaglijk lijden, en anderzijds de plicht van de overheid tot bescherming van het leven van individuele burgers. De wet kent een bijzondere en specifieke rechtvaardigingsgrond die zich beperkt tot het handelen van artsen en die nauw is verbonden met de deskundigheid, met de normen en ethiek van de medische professie en met een uitgewerkt stelsel van zorgvuldigheidseisen en procedurele voorschriften. Een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand van niet-artsen zal in het licht hiervan slechts bij hoge uitzondering kunnen worden aanvaard.

ARREST:
HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185 (Levenslang)

NIEUWSBERICHT:
Hoge Raad: Oplegging levenslange gevangenisstraf blijft mogelijk

ARREST:
HR 14 maart 2017, ECLI:NL: HR:2017:418, NJ 2017/269 m.n. P. Mevis (zaak Heringa)

NIEUWSBERICHT:
Zeer strenge eisen aan hulp bij zelfdoding door niet-arts